Sportdebat

Sportdebat

Bij de werkvorm Sportdebat discussiëren leerlingen over een onderwerp of stelling binnen een vaststaand kader. De leerlingen mogen niet kiezen of ze voor of tegen een stelling zijn. De leraar bepaalt de verdeling. Leerlingen leren om zowel voor als tegen iedere willekeurige stelling te debatteren en trainen zo hun argumentatieve vaardigheden.

Voorbereiding

Voor het sportdebat kunnen de leerlingen onderverdeeld worden op basis van hun interesse en voorkennis. Ook is het interessant om meer geoefende leerlingen iets te laten verdedigen dat ver van hen af staat. Zo leren ze nauwkeurig te kijken naar de standpunten van anderen. Zorg daarnaast voor directe toegang tot boeken, computers, tablets, et cetera om de leerlingen in de voorbereidingstijd zoveel mogelijk informatie te laten verzamelen over het onderwerp of de stelling.

Aanpak

  • Aan de hand van een onderwerp of stelling wordt de groep in tweeën gesplitst.
  • De leerlingen mogen niet kiezen of ze voor of tegen de stelling zijn: dit wordt aangewezen door de leraar.
  • De leerlingen krijgen een beperkte voorbereidingstijd van maximaal 15 minuten om zoveel mogelijk voor of tegen argumenten te verzamelen.
  • De jurering geschiedt door enkele leerlingen of de leraar.
  • De basisspelregels zijn als volgt:
    • Elke partij in het debat krijgt in het totaal evenveel spreektijd.
    • Sprekers dienen zoveel mogelijk de aan hen toegekende spreektijd vol te maken.
    • Sprekers dienen zich strikt aan de aangegeven (spreek)tijd te houden.
  • De leerlingen spreken in een bepaalde volgorde en volgens bepaalde verwachtingen.
  • De rolverwachtingen geven weer wat inhoudelijk van elke spreker in het debat ten minimale wordt verwacht.
  • De eerste spreker van de voorstanders dient de stelling te interpreteren en begrippen te definiëren.
  • De eerste spreker van de tegenstanders is de enige die de door de eerste sprekers van de voorstanders gegeven interpretatie van de stelling, mag uitdagen en aanvallen.
  • De tweede sprekers dienen de argumentatie van hun voorgangers te verdedigen tegen gedane aanvallen, enzovoorts.

Tips en trucs

  • Door de stelling zo zwart-wit mogelijk te formuleren, kunnen leerlingen wellicht makkelijker voor of tegen argumenten aandragen.
  • Stel de volgende gedragsregels in:
    • Een spreker mag een andere spreker niet discrimineren of kwetsen op basis van geloofsovertuiging, sekse, ras, huidskleur, nationaliteit, seksuele voorkeur of handicaps.
    • Een spreker mag een andere spreker niet naar willekeur interrumperen, door de speech van de andere spreker heen blijven praten, of door andere gedragingen het de andere spreker onmogelijk maken te spreken.
← verder zoeken